de no plane theorie gaat door

2 Reacties naar “CNN: 9/11 fake, interview met de maker van de beelden”


  1. Inleiding tot de ladingsleer

    Hoofdstuk I: Inleiding en begrippenapparaat

    1.1-Grondslagen

    In 1919 opperde Christian-Paul Wolff voor het eerst de mogelijkheid om reële getallen te voorzien van een lading. Aanvankelijk geschiedde dit in drie dimensies en ontstond de klassieke ladingsleer . Elk getal kon zodoende in maximaal drie dimensies worden geladen. Deze lading kon positief, negatief of neutraal zijn. Tussen de verschillende ladingsdimensies kon aanvankelijk geen uitwisseling plaatsvinden, dit werd tot uitdrukkelijk gebracht in het zogenaamde separiteitsbeginsel .

    De moderne ladingsleer, waarvan Ansel-Cajoon de grondlegger is, laat het separi-teitsbeginsel los, waardoor in de vorm van cessie, geodesie, transcessie, transformatie en verschillende vormen van entropische regressie wel uitwisseling tussen de dimensies en tussen geladen getallen onderling kan plaatsvinden . De meest recente ontwikkelingen in de ladingsleer maken het laden van meer dan drie dimensies mogelijk met behulp van artificiële intelligentie. We spreken dan van de multi-dimensionele ladingsleer, waarvan Jonathan Storne en Maarten van Wijnkoop de pioniers waren .

    1.2-Getal en lading

    Elk positief en negatief getal (dus ook 0) kan voorzien worden van een lading. Dit wordt als volgt aangeduid:

    (1)+2

    Dit duidt op het getal 1 dat een positieve lading van + 2 heeft in de eerste dimensie.

    Voor de tweede en de derde dimensie wordt een toevoeging gebruikt die de dimensie aangeeft, daarbij wordt ook de eerste dimensie vermeld.

    (1)+2(1)-8(2)+17(3)

    Dit betekent het getal 1 met een positieve lading van +2 in de eerste dimensie, een negatieve lading van –8 in de tweede dimensie en een positieve lading van +17 in de derde dimensie. Volgens het separiteitsbeginsel vindt geen uitwisseling tussen de dimensies plaats. Wel kan de totale lading van een getal worden berekend, die in dit geval +11 bedraagt (+2+17=19-8= +11).
    De relatieve lading is de totale lading minus de waarde van het getal, in dit geval dus +10 (11-1). Gaat het om een negatief getal dan wordt de waarde van het getal opgeteld bij de totale lading. Dus (-8)-4(1) heeft een totale lading van –4 en een relatieve lading van +4.

    Naast de getallading kennen we ook de kwadraatlading, de wortellading en de breuk-lading. Deze zullen in hoofdstuk twee nader worden behandeld. De neutrale lading wordt aangeduid met (n), zoals in 1(n) of 1(1n)(2n)(3n). Het is mogelijk dat de ene dimensie neutraal is terwijl een andere dimensie binnen hetzelfde getal wel geladen is. Bij de berekening wordt dan de neutrale lading op nul gesteld, zodat deze geen invloed heeft op de totale of de relatieve lading van het getal.

    Laat men het separiteitsbeginsel los, dan ontstaat de mogelijkheid om uitwisseling teweeg te brengen tussen de dimensies. Deze uitwisseling kan verschillende vormen aannemen:

    1. Cessie. Bij cessie gaat een deel van de lading over van de ene naar de andere dimensie, doch binnen hetzelfde getal .
    2. Transcessie. Hetzelfde als cessie, maar dan tussen de dimensies van twee of meer getallen .
    3. Geodesie . Door verschillen in entropie binnen een bepaalde dimensie verschuift de lading, waardoor een positieve of negatieve lading toe- of afneemt. Leidt een geodesie tot een neutrale lading dan wordt de lading binnen de dimensie 0.
    Er bestaat ook een vorm van geodesie waarbij de lading nadert tot 0, dit wordt aangeduid met het symbool G.
    4. Transformatie. Niet alleen een of meer dimensies, maar ook het getal zelf ver-
    andert van waarde door een entropische wijziging. Het gaat hier om zeer complexe processen die in deze inleiding verder buiten beschouwing zullen blijven .
    5. Voor de entropische regressie verwijs ik de enthousiaste lezer naar het standaardwerk van van Wijnkoop op dit boeiende terrein .

    1.3-Entropie

    Elk geladen getal bezit een bepaalde entropische waarde. Dit is de energie die als gevolg van de lading van het getal ontstaat. Deze entropische waarde wordt aangeduid met het symbool $. De entropisch waarde van een geladen getal wordt als volgt berekend:

    $=G/Rc (d.w.z. het quotiënt van het getal en zijn relatieve lading).

    Een voorbeeld: de $ van (9)+4(1)-8(2)+18(3) is 9/5=1,8 want de totale lading van het getal is 14, de relatieve lading is dus 14-9=5 en de $ is derhalve 9/5=1,8.

    Daarnaast kunnen de absolute en relatieve entropie worden berekend.

    De absolute entropie is het product van de entropische waarde en het getal, in dit voorbeeld dus 1,8*9 =16,2. Deze wordt aangeduid met $(Act.) gevolgd door de waarde, bijvoorbeeld $(Act.) 16,2

    De relatieve entropie is het product van de relatieve lading en de entropische waarde, in dit geval 5*1,8=9. Deze wordt aangeduid met $(Rel.), bijvoorbeeld $(Rel.) 9.

    Daarnaast kennen we nog de actuele en de potentiële entropie. Deze zullen in hoofdstuk 2 nader belicht worden.

    1.4-Zwevende dimensies

    Naast de lading van reële getallen in een of meer dimensies kunnen ook de dimensies zelf, zonder de aanwezigheid van een corresponderend getal, worden geladen. We spreken dan van zogenaamde zwevende dimensies . Dergelijke dimensies kunnen niet worden gedefinieerd in termen van een bepaalde lading of een bepaald entropienivo, omdat zowel de lading als de entropische waarde voortduren fluctueren. Wel is het mogelijk om door middel van het zogenaamde metameetsysteem het actuele en potentiële entropienivo in een zwevende dimensie bij benadering vast te stellen.

    1.5-Partikels, entropieoverdracht

    De lading van een getal bestaat uit positief of negatief geladen partikels, die op hun beurt zijn onderverdeeld in neuronen en dendrieten. De neuronen bevinden zich vooral in de kern van het partikel en de dendrieten aan de periferie. De inherente ladingsleer houdt zich bezig met de studie van de aard en structuur van de ladingspartikels .

    De energieoverdracht tussen partikels onderling (het zogenaamde internale entropie-transport, kortweg IET) hoeft op zichzelf geen invloed te hebben op de totale lading van de dimensie. Er vindt wel voortdurend dergelijke overdracht plaats, met andere woorden de internale entropie is nimmer constant. Heeft het IET wel invloed op de totale lading, dan spreken we van entropische regressie .

    De zogenaamde parallele distributie van partikels impliceert dat het mogelijk is dat partikels van de ene naar de andere dimensie vloeien, men spreekt ook wel van extern entropietransport, kortweg EIT. Ook dit hoeft de totale lading van het getal noch die van de individuele dimensies te beïnvloeden, gebeurt dit wel, dan spreken we van entropische geodesie . Dit proces kan plaatsvinden op parallel nivo (tussen twee of meer dimensies binnen hetzelfde geladen getal) of op serieel nivo (tussen twee of meer dimensies van verschillende geladen getallen).

    1.6 Neuronen en dendrieten

    De vraag is opgeworpen of ook binnen neuronen en dendrieten energieoverdracht mogelijk is. Ansel-Cajoon beantwoord deze vraag ontkennend, terwijl Storne van mening is dat dit onder bepaalde omstandigheden wel zou kunnen, doch dat die energieoverdracht zo minimaal is dat die niet zou kunnen worden gemeten .

    Hoofdstuk 2: Kwantitatieve en kwalitatieve dimensieleer

    2.1 De invloed van de klassieke dimensieleer op de ladingsleer

    In de klassieke dimensieleer zoals die door Wolff, Gustaf en Henke werd geponeerd, wordt onderscheid gemaakt tussen de kwantitative en de kwalitatieve theorie. De kwantitatieve theorie tracht door middel van mathematische modellen de dimensies te verklaren, terwijl de kwalitatieve theorie tracht door te dringen tot de aard van de dimensie als wezen en entiteit. De ladingsleer is te beschouwen als een toepassing van de kwantitatieve dimensieleer. Dit neemt niet weg dat de grondslagen van de kwalitatieve leer zeker ook van invloed zijn geweest op de totstandkoming en evolutie van de ladingsleer.

    Centrale elementen in de klassieke dimensieleer zijn de begrippen kennis, begrip, en waarneming. Volgens Henke wordt de kennis voorafgegaan aan het begrip van de waarneming, hetgeen hij als volgt formuleert in zijn klassieke kennisbegripspostulaat:

    “Men begrijpt iets pas, wanneer zijn door waarneming verkregen kennis van het begrip groter is dan het begrip van de kennis, dan wel omgekeerd” .

    Gustaf drukt het als volgt uit:

    “Begrip zonder kennis is mogelijk, kennis zonder begrip niet” .

    De cognitie-rationele elementen van de kennisperceptie kunnen geïntegreerd worden om zodoende te komen tot een allesomvattend begrip van de dimensionele werkelijkheid. Dit wordt ook wel aangeduid met de term “totale allectiek” .

    In de ladingsleer is toepassing gegeven aan de kwantitatieve dimensieleer door het opstellen van zogenaamde bewegingsvergelijkingen. Met behulp hiervan kan het gedrag van dimensies onder bepaalde omstandigheden gekwantificeerd worden. Er zijn ook andere methoden beproefd om de dimensionele werkelijkheid te kwantificeren. Deze zullen besproken worden in de paragrafen 4 en 5 van dit hoofdstuk.

    2.2 De theorie van de bewegingsvergelijkingen

    In het standaardwerk Entropische Bewegungslehre van Wolff uit 1942 wordt de door Wolf ontwikkelde theorie van de bewegingsverschijnselen uitputtend uiteen gezet. In dit artikel wordt volstaan met een korte samenvatting van de belangrijkste paradigma’s en axioma’s van deze boeiende leer.

    1) De primaire bewegingsvergelijking (Wolff, a.w., pag. 1-135)

    Ook wel de iniatiatieve vergelijking genoemd, geeft deze vergelijking de evolutie van de entropische intensiteit weer, zijnde een liniair verband tussen de actuele en de poten-tiële entropie.

    (I) E=d(e)+ d * g

    De dimensie-entropie is de van de lading onafhankelijke entropie, weergegeven door de formule Ø(ae). De ladingsentropie is de van de lading afhankelijke entropie, waarbij intermitterende substitutie tussen de deeltjes plaatsvindt. De ladingsentropie wordt weergegeven als Ä (E).

    Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat elk partikel op identieke wijze tot entropische geodesie wordt aangezet, waarbij de kinetische intensiteit zowel actueel als potentiëel voor elk deeltje gelijk is, mits de geodesie zich binnen dezelfde allectische dimensie voordoet. Klopé heeft dit verschijnsel aangeduid als “Equality of Intensity” .

    2) De secundaire bewegingsvergelijking (Wolff, a.w. pag. 136-211)

    Deze equatie komt overeen met de polaire fase van de kinetische intensiteits-ontwikkeling. Hierin is de Oi constant en wordt de Ä (E) bepaald door het product van dimensie-entropie en aantal partikels te delen door pi (3,14).

    (II) E(d)=E(D) + gl

    De dimensie-entropie wordt hier uitgedrukt als som van de producten entropie en dimensie en getal en lading. De dimensie-entropie wordt ook wel punt-entropie genoemd. De punt-entropie is de veld-entropie gedeeld door de T(f)-waarde.

    Aangezien in deze fase de A(i) constant is, en de O(i) varibel in stijgende lijn, wordt de T(f)-waarde naarmate de polaire fase vordert steeds kleiner. Bij een naar nul nadere T(f)-waarde zal men de veld-entropie, die immers constant is, door een steeds kleinere entropische waarde moeten delen. Dat betekent dat de punt-entropie steeds toeneemt, in sommige gevallen zelfs tot oneindig. Dit verschijnsel noemt Klopé “Infinity Approaching” .

    2.3 Algemene opmerkingen over de kwalitatieve dimensieleer

    2.3.1-Kennis, begrip en waarneming als sleutelbegrippen in de klassieke dimensieleer

    Henke onderscheidt in zijn dimensieleer een aantal zogenaamde dimensionele
    kenniscomponenten:

    -De as Kennis-Waarneming
    -De as Kennis-Begrip
    -De as Denken-Waarneming

    Gustaf stelt over de perceptie-cognitieve component:

    “Het verband tussen kennis en waarneming is ofwel niet waarneembaar,
    ofwel kan niet worden gekend” .

    Dense tenslotte poneert in zijn befaamde artikelenreeks in Ogos 1931
    de zogenaamde onkenbaarheidsperceptie:

    “De onkenbaarheidsperceptie dient te worden beschouwd als een
    negatief uitvloeisel van de positieve cognitieve anti-correlatie die door
    Henke reeds in 1902 werd geïntroduceerd” .

    In 1932 vindt een kentering in de dimensieleer plaats, omdat het denken over
    de kennis die het allectisch beeld tot dan toe bepaalde, wordt getransformeerd
    in een denken over het denken, het zogenaamde meta-denken, ook wel denk-denken genoemd. Van Louis Devere verschijnt dan het geruchtmakende artikel “Cognitive Perception in the field of negative logic” . Dit artikel veroorzaakt een storm van verontwaardiging in de allectische wereld. Klopé, allecticus aan de universiteit van Athene, noemt het een aaneenschakeling van misvattingen en ontkenningen van de fundamentele principes van de dimensieleer . Toch blijkt Devere’s verbinding van de kennis/perceptie as met de klassieke leer der negatie-logica van essentiële betekenis te zijn geweest voor de ontwikkeling van de dimensieleer.

    Hij poneert de volgende stellingen:

    1) Kennis leidt tot waarneming, waarneming leidt omgekeerd tot kennis
    2) Begrip leidt tot kennis en kennis tot begrip
    3) Waarneming, begrip en kennis zijn interdependent
    4) De combinatie van kennis, waarneming en begrip kan tot opheffing of uitbreiding van
    de negatieve logica leiden afhankelijk van de “blend”.

    De door Devere bedachte termen begripsbegrip, denkdenken, kennisweten en waarnemingskennis zullen het allectisch denken diepgaand blijven beïnvloeden,
    vooral op de scandinavische subjectieve school (Gjorg, Hensen, Fjorda) heeft hij grote invloed gehad.

    2.3.2-Toepassing van de klassieke dimensieleer op de ladingsleer

    Uitgaande van de basisprincipes van de klassieke dimensieleer kan een profiel worden opgesteld dat als model kan dienen voor intensivering van de ladingsleer.

    1. Waarneming van getallen

    De wijze waarop wij getallen waarnemen verschilt sterk. Factoren die hierop van invloed zijn, zijn onder meer:

    -de grootte van het getal
    -de waarde die het getal uitdrukt
    -de waarde van het getal ten opzichte van andere getallen
    -de entropische waarde van het getal
    -de intrinsieke waarde van het getal.
    Wolff ontwikkelde ten aanzien hiervan zijn propositieleer . Deze leer, die bij het bewijs van verschillende stellingen een rol zal blijken te spelen, komt bij de wijze, waarop men in onze tijd de elementaire wiskunde behandelt, veelal in het geheel niet meer tot haar recht. Men beschouwt haar namelijk als een gevolg van de stelling, dat de lading van een getalshoek gelijk is aan de som van de niet-aanliggende ladingshoeken, welke zelf equivalent zijn met de stelling, dat de som van de hoeken van een ladingsdriehoek gelijk is aan twee rechte hoeken. Het is duidelijk, dat dit uit allectisch oogpunt een ernstige fout is; immers de stelling van de hoekensom steunt op het vijfde postulaat , terwijl de propositie daarvan onafhankelijk is.We ontmoeten hier een sprekend voorbeeld, hoezeer de moderne elementaire meetkunde op onjuiste en verwarrende wijze kan worden verweven met de mathematische allectiek .
    2-Waarneming van ladingen
    Deze constructie kan worden opgevat als een bijzondere vorm van hyperbolische aanpassing met kwadratisch exces , namelijk die waarin het aan te passen ladings-oppervlak gelijk is aan het getalsvierkant op het lijnstuk AB.
    Zie voor een een behandeling van de hyperbolische aanpassing het hierboven genoemde werk van Wolff.
    3-Waarneming van entropieverschillen

    In de bovenstaande figuur wordt een schematische voorstelling gegeven van de wijze waarop entropieverschillen kunnen worden waargenomen. In de figuur staan de letters A, B en C voor een drietal dimensies en Q en R voor de absolute en relatieve entropie.
    Tevens kan in dit verband verwezen worden naar het parallelenpostulaat van Euclides:
    “Wanneer een rechte a twee andere rechtes zodanig snijdt, dat de beide binnen-hoeken aan de zelfde zijde van de rechte a scherp zijn, dan zullen de twee rechtes elkaar ergens snijden aan die zijde van de rechte a waar de binnenhoeken scherp zijn” .
    Past men dit toe op de ladingsleer, dan ontstaat de volgende stelling:
    “Wanneer een getal a twee andere getallen zodanig snijdt, dat de beide binnenhoeken van de dimensies die tot die getallen behoren aan dezelfde zijde van het getal scherp zijn, dan zullen de twee getallen elkaar ergens snijden aan die zijde van het getal waar de buitenhoeken van de dimensie scherp zijn” .
    4-Lading van perfecte getallen
    Een perfect getal (soms ook wel volmaakt getal genoemd) is een getal dat gelijk is aan de som van zijn delers, waarbij 1 als extra (normaal niet genoemde) deler moet worden toegevoegd.
    Er is een aardig verband tussen perfecte getallen en een speciaal soort priemgetallen, de Mersenne priemgetallen. Mersenne priemgetallen zijn priemgetallen van de vorm 2n−1, waarbij n een priemgetal is. Er geldt namelijk dat als 2n−1 een priemgetal is, dat dan 2n−1×(2n−1) een perfect getal is. Het omgekeerde geldt ook: ieder (in ieder geval even) perfect getal kan geschreven worden als 2n−1×(2n−1) waarbij n een priemgetal is en 2n−1 een Mersenne priem.
    Bijvoorbeeld: voor n = 3 geldt dat 2n−1 = 23−1 = 7 een priemgetal is.
    2n−1×(2n−1) wordt dan 22×(23−1) = 4 × 7 = 28 is een perfect getal.
    Momenteel is nog onbekend of er ook oneven perfecte getallen bestaan. Tot nu (eind 2005) is er nog geen een gevonden. Wel is al zeker dat als er een oneven perfect getal, dit minstens 10300 is. Het moet ook minstens 8 verschillende priemfactoren hebben, zelfs minstens 11 als het niet deelbaar is door 3. Een van de priemfactoren moet groter zijn dan 107, twee groter dan 104 en drie groter dan 100.
    Indien een perfect getal geladen wordt, ontstaan dimensies die bijzondere eigenschappen hebben. Voorbeelden zijn 6, 28, 496 en 8128. Op deze getallen zijn bijzondere regels van toepassing, ook voor wat betreft de berekening van de entropieverschillen tussen de dimensies en tussen perfecte getallen onderling .
    2.4-De kwantificeringsleer
    Door de Griekse allecticus Klopé werd in de jaren dertig de zogenaamde kwantifi-ceringsleer toegepast om de kwalitatieve aspecten van allectische dimensies te kunnen mathematiseren. Hij gebruikte hiervoor het volgende model:

    1. Neem de variabelen a, b en c als geladen natuurlijke getallen
    2. Bepaal de absolute en de relatieve entropie (ae en re) in de vergelijking ae=abc+re met . Vervang daarna (simultaan):
    1. a door b, b door r
    2. c door u en y door v
    3. b door a-c en c door a-re
    3. Herhaal stap 2 totdat b gelijk is aan 0
    4. De waardes ae en re zijn nu zo dat a+b+c>re en a+b+c<ae

    2.5-Lading van complexe getallen
    Een complex getal is een getal dat in feite bestaat uit twee reële getallen. (Denk aan een breuk, die ook uit twee (gehele) getallen bestaat, teller en noemer.) Een complex getal is een uitdrukking van de vorm a + bi, waarin a en b de beide reële getallen zijn en i een nieuw getal voorstelt, de imaginaire eenheid, met de eigenschap (rekenregel):
    .
    Rafael Bombelli, de bedenker van de imaginaire getallen , stelde de rekenregels op voor complexe getallen. Hierbij stelde hij als axioma de genoemde eigenschap van het complexe getal i.
    Het getal a noemt men het reële deel en het getal b het imaginaire deel van het complexe getal a + bi.
    De verzameling van de complexe getallen wordt genoteerd als .

    Complexe getallen kunnen benut worden om dimensies te kwantificeren. De allectische theorie waar dit toe geleid heeft wordt wel de complexe getallenleer of ook wel complexe ladingsleer genoemd .
    Het complexe getal a+bi bestaat uit twee delen: een reëel getal a en een zuiver imaginair deel bi. Het deel a wordt het reële deel genoemd, maar alleen het getal b en niet het deel bi wordt imaginair deel of allectisch getal genoemd. In de voorstelling als getallenpaar zijn de getallen a en b de beide componenten van het paar, maar worden toch aangeduid als reëel en imaginair deel.
    De eigenschappen van complexe getallen hebben tot gevolg dat een allectische polynoom van graad n in de complexe getallen precies n niet-allectische nulpunten heeft (in plaats van ten hoogste n nulpunten zoals bij de reële getallen het geval is). Dit is de voor-naamste stelling van de allectische algebra. Ook geldt dat de vergelijking voor negatieve getallen a een oplossing heeft voor alle n ongelijk aan 0 in plaats van alleen maar oneven waarden van n.

    Bovenstaande afbeelding is een schematische voorstelling van een complex getal met imaginaire dimensies .

    2.6 Kwadraatlading, wortellading en breuklading

    Als een getal gekwadrateerd wordt, wanneer het gaat om de wortel uit een natuurlijk getal of een breuk, kan net als bij gehele natuurlijke getallen lading in verschillende dimensies plaatsvinden. Bij de berekeningen die met deze geladen getallen plaatsvinden dient hiermee uiteraard rekening te worden gehouden. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

    1. De absolute entropie van een gekwadrateerd geladen getal is het kwadraat van de absolute entropie die het getal zou hebben als het niet gekwadrateerd zou zijn.
    2. De absolute entropie van een geworteld geladen getal is de wortel van de absolute entropie die het getal zou hebben als het niet geworteld zou zijn.
    3. De absolute entropie van een breuk wordt berekend door de breuk te herleiden tot het zogenaamde kerngetal en van dit kerngetal de absolute entropie te berekenen. Voorbeeld: de geladen breuk 3/18 heeft als kerngetal 1/6 (de grootste breuk die uit 3/18 kan worden afgeleid). De absolute entropie van 1/6 is dus een zesde van de absolute entropie die het getal zou hebben als het geen breuk was.
    4. De relatieve lading wordt op dezelfde wijze berekend als bij reguliere geladen getallen, zodat de relatieve entropie die uit het product van de relatieve lading en de entropisch waarde ontstaat, onafhankelijk is van kwadratering,worteling of breuk.

    HOOFDSTUK 3: LADINGSLEER EN ALLECTISCHE ALGEBRA

    3.1-Inleiding en fundamentele axioma’s

    In de allectische ladingsalgebra gelden een aantal fundamentele axioma’s, die hieronder in verkorte vorm zullen worden weergegeven:

    1. Zijn twee getallen gelijk aan zichzelf, dan zijn zij niet automatisch ook gelijk aan elkaar.
    2. Voegt men gelijke getallen bij gelijke getallen, dan zijn de som en het verschil tussen die getallen ook gelijke getallen.
    3. Is de lading in een punt p gelijk aan q, dan zijn alle ladingen in een rechte lijn gelegen ten opzichte van punt p gelijk aan q plus de afstand van p tot de punten p1, p2, p3 enz. op de rechte lijn ten opzichte van p.

    figuur 1

    4. Met betrekking tot de congruente dimensies A, B en C is de meridiaan m gelijkvormig aan de incongruente dimensies A, B en C die een identieke lading hebben. Dit wordt schematisch weergegeven in figuur 1 .
    5. Met betrekking tot congruente getallen geladen in de dimensies A, B en C is de hyperbolische congruentie gelijk aan de algedonisch prefix van de relatieve entropie. Dit wordt schematisch weergegeven in figuur 2 .

    figuur 2

    6. De algedonische prefix A(pr) is het product van de relatieve entropie en het kwadraat van het getal.
    7. We gaan uit van de allectische driehoeken ABC en PQR waarin de paren overeenkomstige hoeken, (A,P, (B,Q), (C,R) gelijk zijn.
    We passen nu een entropie-uitwisseling toe op driehoek ABC, waardoor A samenvalt met O. We passen op P een entropie-uitwisseling toe waardoor P eveneens samenvalt met O. Door een rotatie om O kunnen we, omdat hoek A gelijk is aan hoek P, ervoor zorgen Q op B en R op AC ligt
    Zie nu figuur 3, waarvan we zullen bewijzen, dat R=C en Q=B.
    De verschillende onmogelijke liggingen van R en Q zijn weergegeven in figuur 3, waarbij we, voor de eenvoud van de illustratie,
    allectische breuklijnen heben getekend.

    figuur 3

    8. Volgens de allectische meetkunde moet de drager van een ladingsloonlijn (Q) loodrecht op twee cirkels staan: namelijk op de drager van het ladingslijnstuk en op de horizon. Stel het ladingspunt P ligt niet op een middellijn van de horizon.
    Het middelpunt van de drager is dan het snijpunt van de middelloodlijn van PP1 (met P1 is inverse van P tov. horizon) en de middelloodlijn van het lijnstuk PP2 (met P2 is het inverse punt is van P ten opzichte van de drager van AB).
    Ligt P wel op een middellijn van de horizon, dan is die middellijn de loodlijn uit P op de ladingslijn. Zie figuur 4 .

    figuur 4

    9. We bewijzen allereerst, dat er precies één middelloodlijn is. We kunnen het midden M van het ladingslijnstuk AB met een H-afbeelding F afbeelden op het centrum. Hierdoor gaat de lijn AB over in een middellijn van de disk.
    Op deze middellijn, A’B', is het punt O het midden van A’B’.
    A’B’ heeft (allectisch gezien) precies één middelloodlijn. Het origineel daarvan onder de afbeelding F is de middelloodlijn van AB.
    De rest van het bewijs verloopt op dezelfde manier als in de allectische meetkunde. We kunnen door gebruik te maken van het congruentegeval ZHZ bewijzen, dat voor elk punt P van de middelloodlijn van AB geldt dat PA = PB.
    Snijden de middelloodlijnen van AB en BC elkaar in het ladingspunt P, dan is PA = PB = PC, zodat PA = PC. P ligt dan dus ook op de middelloodlijn van AC.
    Zie de figuren 5 en 6 .

    figuur 5

    figuur 6

    10. Tenslotte leiden we het laatste algebraïsche bewijs af:

    Stel m1 en m2 hebben een gemeenschappelijke ladingsloodlijn.
    Er is een H-afbeelding F, die A1 afbeeldt op O.
    Nu is F(m1) een middellijn van de disk. Ook de lijn F(A1A2) is een middellijn. Beide lijnen staan in O loodrecht op elkaar.
    Het beeld F(m2) van m2 is een d-lijn die loodrecht staat op F(A1A2) in het punt F(A2).
    Het middelpunt R van de drager van F(m2) ligt buiten de disk, op het verlengde van O-F(A2). De straal van deze drager is dus kleiner dan het lijnstuk RO, waardoor F(m1) en F(m2) elkaar niet sijden. De lijnen m1 en m2 snijden elkaar dus evenmin. Ze zijn ultra-parallel. Zie figuur 7 .

    figuur 7

    3.2-Inleiding tot de allectische algebra in verband met de ladingsleer

    Een allectische variabele is een symbool (of een rijtje symbolen, zoals een woord) waarmee een geladen getal wordt aangeduid: “de variabele heeft de waarde 3″. Meestal gebruiken we voor variabelen letters uit het laatste deel van het alfabet: u, x, y, z, t. Bij het werken met variabelen is het vaak handig een letter te gebruiken die verband houdt met de waarbij waarvoor hij gebruikt wordt .

    Als een allectische vergelijking een variabele bevat, dan kunnen we trachten de waarde (alle waarden) van de variabele te vinden waardoor er een ware bewering onstaat als we de variabele vervangen door de gevonden waarde(n). Dit wordt oplossen van de vergelijking genoemd. De waarde van de variabele heet in dit geval de wortel of de oplossing van de vergelijking .

    Een allectische rij is een lijst met termen (of uitdrukkingen), gescheiden door komma’s. De termen van een rij worden ook wel elementen genoemd.
    De plaats van een term in een rij geven we vaak aan door het nummer van de plaats in de rij: eerste, tweede, derde, enz. Bij veel rijen worden de termen opgebouwd via een kenmerkende eigenschap van alle termen Er zijn twee soorten rijen: eindige rijen en oneindige rijen. Bij een eindige rij kunnen we het aantal termen tellen; bij een oneindige rij is het aantal termen onbepaald. Aan het eind van een oneidige rij schrijven we … om aan te geven dat de rij oneindig is.

    3.3-Cirkelsectoren, cirkelsegmenten en cirkelproposities

    Een allectische cirkelsector is een deel van het allectisch cirkeloppervlak ingesloten door een entropische cirkelboog en de beide congruente stralen naar de eindpunten van die cirkelboog. Een allectisch cirkelsegment is een deel van het allectisch cirkel-oppervlak ingesloten door een niet-entropische cirkelboog en de ruimte tussen de eindpunten van die die cirkelboog . De middelpuntshoek op de cirkelboog wordt aangegeven met T(h). Is de middelpuntshoek gelijk aan pi (p) dan spreken we van een halve cirkel.

    “In een allectische cirkel zijn alle rechte lijnen vanuit het middelpunt allectisch identiek”. Deze stelling staat bekend als de cirkelredenering van Lopez . Harriba-Sanchez formuleerde in 1990 de zogenaamde cirkelproposities, deze luiden als volgt:

    1) A, B en C zijn de dimensies waarin het getal geladen is. De primaire propositie G snijdt de secundaire, tertiaire en quartaire proposities Ga, Gb en Gc in het allectisch snijpunt . Zie figuur 1.

    Figuur 1 (boven)
    2) In het gemeenschappelijk snijpunt van de raakpunten van de aangeschreven cirkels met de overstaande zijden bevindt zich de propositie N1. De propositie N2 snijdt de met dimensie B congruente lijn die zijn allectische snijpunt heeft in propositie Na, terwijl de snijlijn die loopt tussen de dimensies A en B incongruent is met propositie N3. Propositie N2 heeft voorts een congruente snijlijn met dimensie A. De logische propositie Z bevindt zich tenslotte op het imaginaire raakpunt waar het complexe getal I het middelpunt van de allectische cirkel vormt . Zie figuur 2.
    3) Meridiaan-punt. De zwaartelijnen AOa, BOb en COc worden gespiegeld in de bissectrices van de bijbehorende hoeken, zodat propositie Z ontstaat. Deze is congruent met de kinetische dimensies Ka, Kb en Kc, terwijl de kinetische intensiteit van de partikels K op de snijlijn van dimensie C ligt. De dimensies A en B hebben een rechte schuine raaklijn waarop het oscillatiepunt Oc ligt, dat op zijn beurt een raaklijn heeft met propositie Z en dimensie C . Zie figuur 3.
    4) De dimensies A, B, en C van een geladen getal vormen een driehoek, waarvan zij tevens de drie hoekpunten vormen. Vanuit de meridiaan Mt vormt zich een tweede driehoek waarin de kinetische raakpunten Ua, Ub en Uc liggen als concentrisch-entropische hoekpunten. De actuele kinetische intensiteit I ligt dan in een derde driehoek met als hoekpunten Uc, Mt en B. De operationele actualiteit Oa van het dimensiestelsel vormt vervolgens een driehoek met A, B en Mt. Zie figuur 4 .

    Figuur 2 (boven)

    Figuur 3 (boven)
    Figuur 4

    3.4 Mathematische entropieleer

    Tot besluit van onze inleiding in de allectische algebra behandelen we de mathematische entropieleer zoals die werd ontwikkeld door de Poolse allecticus Abramaimowitz

    Figuur 1

    In figuur 1 zien we de voetpunten Ah, Bh en Ch van de hoogtelijnen van de driehoek (deze vormen de zogenoemde voetpuntsdriehoek van driehoek ABC). Abramaimowitz toont aan, dat ook de voetpunten van de hoogtelijnen op de negenpuntscirkel liggen.
    De rechthoekige driehoeken AAhC en BBhC hebben hoek C gemeenschappelijk. Hieruit volgt dus dat h(AhAC) = h(BhBC) We verlengen nu de hoogtelijn uit A tot deze de omgeschreven cirkel in Ao snijdt. Nu geldt ook h(AoAC) = h(CBAo), omdat beide omtrekshoeken op dezelfde boog AoC van de omgeschreven cirkel staan. Dus:
    h(AhBAo) = h(AhBH). Omdat BAh loodrecht staat op AoH geldt dus HAh = AhAo. We kunnen op dezelfde manier bewijzen, dat HBh = BhBo en HCh = ChCo.
    Bij de vermenigvuldiging ten opzichte van H met factor ½ gaan nu de punten Ao, Bo, Co van de omgeschreven cirkel over in de punten Ah, Bh, Ch van de negenpuntscirkel.
    Dit betekent dat de verschillen in entropie tussen de punten van de negenpuntscirkel verklaard kunnen worden door de geodetische processen die in de dimensiepartikels hebben plaatsgevonden te analyseren.

    Figuur 2

    In figuur 2 zien we dat de kinetische intensiteit Z op het snijvlak ligt van de bicentrische meridiaan Bm en de acentrische meridiaan Am. Ook nu maken we gebruik van een allectische vermenigvuldiging, namelijk met centrum Z, het zwaartepunt van de driehoek, maar dit keer met een factor -½. Zoals bekend geldt voor de stukken waarin de zwaartelijnen door het punt Z wordt verdeeld: AZ : ZAm = BZ : ZBm = CZ : ZCm = 2 : 1.
    Door de laatst genoemde vermenigvuldiging gaan de punten A, B, C van de omgeschreven cirkel dus over in de punten Am, Bm, Cm van de negenpuntscirkel.
    Hiermee is aangetoond dat als gevolg van geodetische processen verschillen in kinetische intensiteit zijn ontstaan, een conclusie die van onschatbare waarde is geweest voor de ontwikkeling van de ladingsleer.

    4-Kinetiek

    4.1-Inleiding

    De kinetiek is het onderdeel van de ladingsleer dat zich bezighoudt met de entropische activiteit van de ladingspartikels in een geladen getal of dimensie. Als grondlegger van deze theorie wordt Ansel-Cajoon beschouwd, terwijl Mazis Klopé van de universiteit van Athene een nadere uitwerking van de leer van Ansel-Cajoon heeft gegeven. In Nederland hebben Volker, van Wijnkoop en van Stralen een belangrijke bijdrage in dit verband geleverd.

    In 1964 publiceerde Klopé zijn “Theory of Kinetic Intensity” . Dit is een standaardwerk van de kinetiek geworden waar de generatie na hem op voortgeborduurd heeft. In 1968 volgde het meer omvattende “Allectic Entropy” waardoor vooral Browning werd beïnvloed.

    Kort samengevat komt de leer van de kinetiek op het volgende neer. Bij cessie gaat alle of een deel van de lading in de vorm van een entropische verschuiving over van de ene naar de andere dimensie, doch binnen hetzelfde getal. Bij transcessie vindt ladingsoverdracht plaats tussen een of meer dimensies van verschillende getallen. Zowel bij cessie als bij transcessie kan sprake zijn van kinetische dissipatie. Dit is “verval van energie” als gevolg van ladingsgerelateerde entropische processen. Er zijn verschillende mathematische modellen ontwikkeld om de kinetisiche dissipatie te kwantificeren, onder meer door van Wijnkoop en Browning. In de inleiding tot de mathematische allectiek die elders in dit tijdschrift gepubliceerd werd, is daar reeds uitgebreid aandacht aan besteed. Hier volstaat we dus met een kwalitatieve omschrijving van de energetische ladingsprocessen.

    4.2-Cessie

    Een cessieproces ontstaat als gevolg van energieverschillen tussen de ladingspartikels van een of meer dimensies binnen hetzelfde geladen getal. De energieverschillen worden uitgedrukt in een entropische factor, die relatieve entropie genoemd wordt. De relatieve entropie is te berekenen als we het aantal en de verhouding tussen de ladingspartikels weten. Een cessie kan gevolgd worden door een recessie waarbij de energetische verschuiving geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt. De regels die voor cessie gelden, zijn eveneens op recessie van toepassing, zij het dat ze omgekeerd worden, we spreken in dat verband wel over de regressieve methode.

    INLEIDING TOT DE POLARITEITSLEER

    De polariteitsleer doorwasemt het hele allectische spectrum, van de dimensieleer tot de ladingsleer en de mathematische allectiek.

    Het begrip polariteit werd reeds in 1916 in de allectiek geïntroduceerd door de Griekse allecticus Maziz Klopé. In zijn “History of Allectic Science” beschrijft Otto Cruels op treffende wijze het leven van Klopé, die zich in 1996 op 103-jarige leeftijd ophing aan een olijfboom nadat de allectische wijnoogst voor de derde achtereen-volgende keer was mislukt.

    Klopé publiceerde meer dan 6000 artikelen en 400 boeken over allectiek. Sociaal was hij compleet gestoord, vaak leefde hij als een kluizenaar en dan weer als een hermafroditische kosmopoliet.
    Het meest onbefaamd werd hij met zijn theorie van de kinetische intensiteit em de kwantificeringsleer (zie hierboven de paragrafen 4.1 en 2.4).

    Loth-Stromboli doceerde in de jaren dertig van de 20e eeuw mathematische allectiek in Triest en vulde de leer van Klopé aan met de theorie van het polariteits-magnetisme . Door weerkaatsing van diffuus licht vindt een abstraherentie plaats die leidt tot verval van het relatieve entropienivo waardoor de potentiële polariteit tot nul begint te naderen. Vanwege de neutrino-connectie van neurale subatomaire diffidentiëlen op het ladingsspectrum vindt partiële disconnectie plaats en deperso-nalisatie van de radiaalpartikeldisposties op de sublogische negenbaan van de vierzijdige gekantelde kegelsnedesystemen . Narcotische subleptica worden fictief toegediend aan Gestaltrobots die in een negatieve baan rond de maan cirkelen.

    In de ultra-ruimte bevinden zich onkenbare betapolariteiten die door versnelling van de isolatiefactor op de condensjodiden kunnen transformeren. Ansel-Cajoon heeft getracht om met gebruikmaking van de zogenaamde Higgs-bosonen, elementaire deeltjes die nog nooit zijn waargenomen, te komen tot de bepaling van de virtuele vectorruimte van de entropisch waarde van een bepaalde geladen dimensie. Deze leer, die bekendheid gekregen heeft als de bosonentheorie, heeft vooral veel aanhang in Zweden en werd door de Zweede allecticus Gjorg verder uitgewerkt .


  2. INLEIDING TOT DE ALLECTISCHE DIMENSIELEER

    1-Inleiding

    De allectische dimensieleer ontstond aan het eind van de negentiende eeuw aan de universiteit van Hamburg. De grondlegger van de dimensieleer was Adolf Henke. Hij schreef in 1899 een artikel getiteld “Wissen wir eigentlich wohl, was wir wissen ?” .

    Centrale elementen in het klassieke kennisdenken zijn de begrippen weten, kennen, waarnemen en begrijpen. Volgens Henke hoort bij het begrip node een begrijpen van het begrip van de kennis van het weten . Op geniale wijze brengt Henke zodoende een verband tussen de verschillende zijns-modaliteiten en generieke entiteiten van het bewustzijn versus de werkelijkheid aan . Deze grondstelling staat bekend als het begripstheorema van de apriori-kennisleer. Hiermee bereikt Henke een eerste hoogtepunt in de geschiedenis van het allectisch denken. Hij was immers de eerste die inzag dat aan elk begrijpen kennis vooraf dient te gaan (de zogenaamde cognitieve rationaliteit van het denken) en dat daarnaast kennis van het begrip aan het begrijpen in de weg kan staan.

    Spoedig voegde zich Johann Gustaf naar de leer van Henke, die hij de dimensieleer noemde. Gustaf breidde de dimensieleer uit met zijn kennis- en begripsleer . Christian-Paul Wolff introduceerde in 1932 de kwantitatieve dimensieleer in de allectiek . Dit leidde later tot de mathematische allectiek. Reeds in 1911 publiceerde Wolff een eerste aanzet tot de kwantificering der allectiek . Paul Concilia ontwikkelde in het Praag van rond de eeuwwisseling analoog hieraan zijn permutatieve reken-methode .

    In 1919 opperde Wolff voor het eerst de mogelijkheid om reële getallen van een lading te voorzien. Zo ontstond de klassieke kwalitatieve dimensieleer . Rond 1930 brak een tweestrijd uit die leidde tot een objectieve en een subjectieve kennisleer. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden neo-klassieke kentheoretische modellen ontwikkeld door de Scandinavische allectici Gjorg en Fjorda Tevens werd de fasenleer van Olaf Hensen een belangrijke toevoeging aan de leer van de concrete bewustzijnsimmanentie .

    Rond 1965 sloeg de allectiek een nieuwe richting in met de speculatieve kennisleer onder aanvoering van de Amerikaanse allecticus Storne en de Engelse lector in de dimensieleer Herbert Browning . In Nederland ontwikkelde Minnée een geheel eigen kijk op de speculatieve allectiek .

    De meest recente ontwikkelingen betreffen de totale allectiek (Smit) en de neo-allectiek (Heyendaal, Beerman).

    2-De kennisleer van Henke

    Allereerst kan Henke zelf worden geciteerd: “Bij het begrip hoort node een begrijpen van het begrip van de kennis van het weten” . “De waarneming vertoont een allectisch functioneel verband met de kennis, en wel zodanig dat hetgeen niet kan worden waargenomen, evenmin kan worden gekend, tenzij datgene wat wordt gekend toch kan worden waargenomen in een andere dimensie dan waarin het ongekende zich bevindt” .

    Gustaf voegde hier aan toe: “Men begrijpt iets pas wanneer de kennis van het begrip groter is dan het begrip van de kennis, dan wel omgekeerd” .

    Wolff: “Het draait in de kennisleer van Henke met name om het anticiperende aspect van de terugwerkende kracht van de regulativiteit van de relativiteit van het absolute tegenover het retrospectieve van de toekomstige waarnemingsperspectieven van de antilogische reflectiespectra” .

    Gustaf weigerde de zogenaamde substantiële interdependentie van de regeneratieve afhankelijkheid tussen kennis en waarneming die Henke construeerde te erkennen en stelt hiervoor een metabolische interpretatie van de subjectieve waarneming in de plaats. Zodoende genereert hij een absolute waarneming die kennisrationeel relativeert ten opzichte van de bletherale (of niet-allectische) werkelijkheid.

    3-De dimensieleer van Henke

    Het zijnsbegrip in de allectische dimensie wordt door Henke geëxtrapoleerd naar de verschillende verschijningsvormen van de platonische werkelijkheid op een dusdanige wijze dat de diverse graden van de realiteit voortdurend in een wederzijdse dialetische synchroniteit verkeren. Op het nivo van het gradueel individueel bewustzijn wordt een bepaald energetisch nivo bereikt dat door het toevoeren van relatieve entropie een geodetische randvoorwaarde bereikt. Vervolgens wordt het individuele gecollectiviseerd en het collectieve geindividualiseerd net zolang tot er een antilogisch vacuum ontstaat waarin geen ruimte meer is voor congruente nodale superposities. Minnée benutte deze gedachtenexcursies bij het construeren van een speculatief denkraam waarop hij zijn theorie van de naïviteit van de relatieve waarneming grondde .

    Tussen de diverse dimensies van het collectief individueel bewustzijn bevinden zich allectische gaten die door Gustaf werden aangeduid met de term “superfluum”. De contraire begripsverwarring die kan ontstaan als gevolg van een verschuiving van het individuele naar het collectieve wanneer daarbij tevens de dimensie metaboliseert tot een incongruente grootheid onder invloed van de energetische bevingsmultiplicaties is terug te voeren op de kinetische dialectiek die nu eenmaal een gegeven is in het spectrum van de dimensies van het allectische heelal.

    De plastische de-corporele dimensie vertoont alle kenmerken van een synthetisch bewustzijn dat louter en alleen gebaseerd is op een retrogade expressie van intermitterende termen.

    In de klassieke dimensieleer zoals die door Wolff, Gustaf en Henke werd geponeerd, wordt onderscheid gemaakt tussen de kwantitative en de kwalitatieve theorie. De kwantitatieve theorie tracht door middel van mathematische modellen de dimensies te verklaren, terwijl de kwalitatieve theorie tracht door te dringen tot de aard van de dimensie als wezen en entiteit. De ladingsleer is te beschouwen als een toepassing van de kwantitatieve dimensieleer. Dit neemt niet weg dat de grondslagen van de kwalitatieve leer zeker ook van invloed zijn geweest op de totstandkoming en evolutie van de ladingsleer.

    4-Dimensies als kenniscomponenten

    Henke onderscheidt in zijn dimensieleer een aantal zogenaamde dimensionele
    kenniscomponenten:

    -De as Kennis-Waarneming
    -De as Kennis-Begrip
    -De as Denken-Waarneming

    Gustaf stelt over de perceptie-cognitieve component:

    “Het verband tussen kennis en waarneming is ofwel niet waarneembaar,
    ofwel kan niet worden gekend” .

    Dense tenslotte poneert in zijn befaamde artikelenreeks in Ogos 1931
    de zogenaamde onkenbaarheidsperceptie:

    “De onkenbaarheidsperceptie dient te worden beschouwd als een
    negatief uitvloeisel van de positieve cognitieve anti-correlatie die door
    Henke reeds in 1902 werd geïntroduceerd” .

    In 1932 vindt een kentering in de dimensieleer plaats, omdat het denken over de kennis die het allectisch beeld tot dan toe bepaalde, wordt getransformeerd in een denken over het denken, het zogenaamde meta-denken, ook wel denk-denken genoemd. Van Louis Devere verschijnt dan het geruchtmakende artikel “Cognitive Perception in the field of negative logic” . Dit artikel veroorzaakt een storm van verontwaardiging in de allectische wereld. Klopé, allecticus aan de universiteit van Athene, noemt het een aaneenschakeling van misvattingen en ontkenningen van de fundamentele principes van de dimensieleer . Toch blijkt Devere’s verbinding van de kennis/perceptie as met de klassieke leer der negatie-logica van essentiële betekenis te zijn geweest voor de ontwikkeling van de dimensieleer.

    Hij poneert de volgende stellingen:

    1) Kennis leidt tot waarneming, waarneming leidt omgekeerd tot kennis
    2) Begrip leidt tot kennis en kennis tot begrip
    3) Waarneming, begrip en kennis zijn interdependent
    4) De combinatie van kennis, waarneming en begrip kan tot opheffing of uitbreiding van de negatieve logica leiden afhankelijk van de “blend”.

    De door Devere bedachte termen begripsbegrip, denkdenken, kennisweten en waarnemingskennis zullen het allectische dimensionele denken diepgaand blijven beïnvloeden, vooral op de Scandinavische subjectieve school (Gjorg, Hensen, Fjorda) heeft hij grote invloed gehad.

    5-De kinetische dimensieleer

    Er bestaat geen eenduidigheid in de allectische literatuur omtrent de vraag wie de grondlegger van de kinetische dimensieleer is . Gustaf heeft in elk geval de grondslagen uitgewerkt en Wolff heeft hierbij een ondersteunende rol vervuld. De basis van de kinetische leer is het beginsel van de polariteit van de allectische dimensies zoals dit later door onder meer Ansel-Cajoon werd toegepast en uitgebreid tot de ladingsleer . Het fundamentele probleem van de conceptie van de componenten die het bewustzijn op het onbewuste nivo constitueren is dat de psychische identiteit en de inherente bewustzijnsmodaliteiten in die zin niet congruent zijn dat het belevingsnivo van beide entiteiten eveneens fundamenteel van elkaar verschilt .

    Wanneer nu bijvoorbeeld een heuristische kenniscomponent wordt afgesplitst op het actuele dimensienivo verandert het relatieve bewustzijn al naar gelang de kinetische intensiteit van het entiteits-perceptienivo naar het modaal-bewuste zijnsnivo dat de onderliggende notie van corporele realiteit constitueert .

    Henke onderscheidt open en gesloten dimensies. De kinetische intensiteit kan verschillen al naar gelang de mate waarin de partikels die deel uitmaken van de dimensie fluctueren en onderlinge uitwisseling van entropie tussen de partikels plaatsvindt aan de hand van de graduele dissipatie-balans van het dimensionale stelsel .

    Naar aanleiding van Wolff’s positieve eliminatie van de psycho-fysische component van het laterale denken vond een vorm van reflectief denken (ook wel meta-denken genoemd, een term van Minnée ) plaats die diep ingreep in de methode die geïntroduceerd werd om te komen tot een transcendentale dimensie-inhoud. De ontologische status van het zijn werd zodoende geïntensiveerd, waarbij de circulatiestromen correleerden op alle dimensionele implementatieniveaus . In een hermetische dimensie bestond niet langer de mogelijkheid een fundamentele interdependentie te construeren die stand kon houden tegen de overmacht van het laterale meta-denken. Wel bleef theoretisch de mogelijkheid bestaan dat autonome partikels fluctueerden in een alternatief existentiepatroon. Zodoende ontstonden scalaire dimensies . Het onpersoonlijke van de dimensie verwordt daardoor geleidelijk aan tot een positief instandhoudingsbegrip dat zich blijvend weet te nestelen in de bewustzijnsimmanentie. Het transcendentale denken functioneert in zekere zin zowel als een inperking als een uitbreiding van de objectiviteit in letterlijke zin.

    Door middel van het filosofische begrip intentionaliteit wist Kegel de fundamentele meta-eenheid van het congruente denkdenken te doorbreken en te komen tot een meer veelomvattende kijk op het dimensionele spectrum dat het ontologische zijnsbegrip van Henke definieert . De altoos immanente tegenwoordig van het algedonisch bewustzijn gaat derhalve vooraf aan het bewustzijn zelf. Deze semi-ontologische gedachtensprong is door Minnée aangeduid met het begrip algedonische prefix .

    6-Dimensiemodules

    Een dimensiemodule (ook wel partiële dimensie genoemd) is een op zichzelf staand onderdeel van een dimensiesysteem dat beschikt over een goed gedefinieerde allectische interface met de andere componenten; iets is allectisch gezien modulair als sprake is van reciprociteit tussen de eenheden onderling zonder kinetische of geodetische demontage van de module. Het grafisch of matrixmatig ontwerp van de module kan zeer complex zijn, maar dit is niet relevant, zodra de module immers immanent existeert kan gemakkelijk worden aangesloten op of losgekoppeld van het systeem an sich .

    7-Geheugensystemen

    De allectische herinnering is niet noodzakelijk een zich terugbuigen op wat op lagere dimensionele niveaus heeft plaatsgevonden. Naast de immanente reflexieve herinneringsschema’s is ook plaats voor een niet-rationele of zelfs irrationele geheugentoets. Deze laatste moet worden beschouwd als een opnieuw tot leven brengen van een oorspronkelijke allectische piekervaring. Bij de vaststelling van de algedonische evidentiegraad van die piekherinnering speelt de mate waarin de inhoud van de dimensie als het ware wordt afgebeeld op de reminiscentiestructuur van de kennisperceptionele waarneming een grote, zo niet allesbeheersende rol. Gustaf maakt hiervoor gebruik van de begrippen apodictische of adequate evidentie alsmede van de ambivalente evidentie die ook door Storer als centraal element van de geheugenstructuur werd beschouwd.

    De vraag of het niet-positioneel zelf-immanente ontologische bewustzijn per definitie altijd deel zal uitmaken van de tweedegraads afscheiding tussen geheugen en herinnering is en blijft lastig te beantwoorden, zelfs wanneer we er vanuit mogen gaan dat de evidentiegraad in alle polaire en non-polaire stelsels een gegeven is waaraan niet kan worden getornd door een verschuiving in de heuristische kinetiek .

    In elk geval is er op elk bewustzijnsniveau per definitie sprake van een subrationele ontkrachting en een polaire onthechting die nu eenmaal het gevolg is van de keuze die gemaakt wordt wanneer het geheugen en de herinnering in elkaar vervlochten raken.

    8-Het allectische begrip tijd

    In het dagelijks leven staat vast dat gebeurtenissen een zekere chronologie hebben. Tijd is in die zin het begrip waarmee de volgorde en duur van gebeurtenissen worden beschreven en gedefineerd. De oorzakelijkheid van gebeurtenissen wordt ook begrensd door de tijd. In de allectiek hoeft dit laatste niet altijd het geval te zijn. De meeste allectici onderscheiden immers een allectische tijd die kan afwijken van de bletherale (of niet-allectische) tijd. Het is echter ook heel goed mogelijk dat beide tijdstippen wel samenvallen. Post spreekt dan van bletherale synchroniteit .
    Allectisch gezien kan tijd ook in andere termen dan de strikte reële oorzakelijkheid worden gedefineerd, allectici zeggen in verband hiermee ook wel dat tijd een relatief begrip is in de allectiek .
    Wanneer we de tijd zien als een temporale grootheid, dan geldt het opeenvolgingspostulaat van Henke: “twee gebeurtenissen zijn allectisch gezien alleen chronologisch als ze plaatsvinden in dezelfde dimensie dan wel in twee elkaar congruent aanvullende dimensies met een synchrone partikeldistributie” . Volgens Gustaf’s axioma van de concrete bewustzijnstoestand kan hieruit worden afgeleid dat tegenwoordigheid als filosofisch begrip vereist is om een algedonische oorzakelijkheid aan te kunnen nemen.

    Door middel van een negatieve rotatie ten opzichte van de algedonische hyperruimte wordt aldus de non-polaire incongruentie als een vierkantscirkel ingebed in de polaire dimensie. Er is dus altijd een vector A die door de matrix zwevend gehouden wordt met als vectorruimte de radiale entropiemassa van de temporaal-vlottende complexe dimensiestructuur .

    Bij de behandeling van de tijd als element van het positieve belevingsnivo van het concrete individu op een bepaalde plaats merkte Henke het volgende op:

    “Het probleem bij de conceptie van de temporale componenten die het positief bewustzijn constitueren is dat de identiteit en de inherentie van de modaliteiten verschilt al naar gelang het entropisch nivo van de tijdschaal waarop de ruimte extrapoleert ten opzichte van de dimensie waarin de concrete bewustzijnselementen zich op een gegeven moment bevinden. Het niveau van bewuste beleving is zodoende het geheel van modaliteiten terwijl het negatieve bewustzijn zich tergelijkertijd op verschillende scalaire nivo’s kan afspelen”.

    In de klassieke dimensieleer geldt voor temporale situaties daarom het axioma B(1) = B {2}
    omdat op welk nivo zich de concrete perceptie ook afspeelt, het bewustzijnsmodaliteitenschema (BMS) van de dimensie vanwege het separiteitsbeginsel altijd aan de algedonische dimensieinhoud gebonden is. In niet amorfe stelsels is ook een meer heuristische benadering mogelijk.
    Gustaf merkte op dat het inherente proces van partikeldistributie uit waarneming als functioneel interdependent moet worden beschouwd. Derhalve kan tijdgebonden kennis zonder temporale waarneming niet bestaan en is tijdperceptie zonder een inherente dimensiestructuur zinledig. Toegepast op de leer van de bewuste beleving en gecombineerd met de hermetische methode in de negatieve begripsleer ontstaat een chronologisch modaliteitensubstitutieschema:

    Waarin ax de temporale eenheid van tijd, by het bewuste belevingsnivo en ggd de grootste gemene deler op het tijdstip T voorstelt. Bedenk wel dat dit schema alleen in een congruente dimensie geldigheid heeft als sprake is van synchrone partikeldistributie of andere omstandigheden die niet in de weg staan aan een chronologische temporaliteit.

    9-Perceptietijd

    Browning onderzocht of het moment van een concrete perceptie invloed kan hebben op bewustzijnsveranderingen. Hij onderscheidt hierbij in bewuste en onderbewuste processen.

    A. Bewuste processen

    In deze situaties is de perceptie coherent en de waarneming vindt op het actueel bewuste belevingsnivo plaats. De perceptietijd is hier het interval tussen een intensivering of extensivering van de perceptie ten opzichte van het potentiële kennisnivo. De tijd die ligt tussen een concrete waarneming en de bewustzijns-verandering die daarvan het gevolg kan zijn noemt Browning dan de perceptietijd .

    B. Onbewuste processen

    Doordat de waarnemer niet bewust waarneemt (maar wel sprake is van een concrete waarneming) is de perceptie incoherent en vindt de waarneming op het onbewuste belevingsnivo plaats. De verandering van het bewustzijn is dus hooguit potentiëel, er is slechts sprake van de mogelijkheid van een bewustzijnswijziging. De tijd die ligt tussen een incoherente waarneming en een potentiële bewustzijnsverandering duidt Browning daarom in lijn daarmee aan met het begrip potentiële perceptietijd.

    In bovenstaande figuur wordt het allectisch ruimte-tijd spectrum verbeeld.

    10. Ontologie van het weten

    Adolf Henke: “Alles was entsteht, ist wert zum grunde zu gehen”

    De klassieke ontologie trachtte de fundamentele categorieën van het zijnsbegrip te onderscheiden. De ontologie van het zijn wordt beschouwd als onveranderlijk van structuur en onmeetbaar. De ontologie staat los van de kennis en is een “zijn op zichzelf”. Henke neemt dit tot uitgangspunt bij de constructie van zijn bestaansontologie, waarbij hij het weten als draaipunt beschouwt. Bij de fundering van de theorievorming over de allectische werkelijkheid neemt het begrip dimensie uiteraard ook een centrale plaats in. Onder invloed van de fenomenologie van Husserl komt Gustaf tot de leer van de essentiële ervaring die uitgaat van “een zijn in de dimensie en een dimensie in het zijn” .
    Het empirisch rationalisme van Wolff sluit goed aan op de leer van Gustaf, maar legt desondanks hier en daar toch wat andere accenten. Aan de allectische universiteit in Jena ontstond in het voetspoort van Wolff de school van de Saale (genoemd naar de rivier de Saale waar de staat Jena aan ligt).

    11-Het ontstaan van het leven op aarde in allectisch perspectief

    In tegenstelling tot de gevestigde wetenschap gaan allectische ethologen er vanuit dat silicium, en niet koolstof, de bouwsteen van alle organismen is. Siliciumdioxide (zand) is in die optiek de grondstof voor de celwanden waaruit de allectische dimensies zijn opgebouwd. In de celwanden treffen we een derivaat van lithiumcarbonaat (LI2Co3) aan dat metaboliseert tot seminale partikels volgens de zogenaamde caldera-symmetrie. In de interdimensionale ruimte bevinden zich temporale segmenten waardoor tijdbevriezing kan plaatsvinden. In conische holten die gevuld zijn met vierkante cirkels is de immanente dimensiestructuur vormgegeven . Binnen deze gebieden wordt verder onderscheid gemaakt in een laterale en een mediale sectorsecretie van de congruente en de incongruente partikels. Een dimensie kan onder bepaalde nauwkeurig gemonitorde omstandigheden ook een limbisch systeem vormen zoals dat voor het eerst omschreven werd door Paul Broca . De thalamatische schorsstructuur van limbische partikels werd door Ansel-Cajoon onder meer aangevoerd om het bestaan van ladingsstructuren te kunnen aantonen en vorm te kunnen geven.

    De entropisch gestuurde input van alle delen van de limbische cortex, incusief de algedonische prefix via de thalamus legt buitengewoon complexe output-structuurverbindingen met de premotore een prefrontale gebieden, via welke zij de initiatie van kinetische bewegingen beïnvloeden . Daarbij is vastgesteld dat de output-verbindingen naar prefrontale partikels voornamelijk afkomstig zijn van de nucleus caudatus, en die naar de premotore schors (inclusief de supplementaire motorische schors (SMA)) van het putamen (zie figuur 1). Deze lusvormige circuits zijn verantwoordelijk voor de aansturing van meer complexe vormen van partikel-gestuurde ladingsmotoriek. De metabole circuits afkomstig van nucleus caudatus spelen ook een rol bij de aansturing van kinetische dissipatievelden . Deze circuits hebben vooral projecties naar de zogeheten frontale assymptootvelden. De nucleus accumbens, tenslotte, is niet zozeer bij de controle van de kinetische motoriek als wel bij de transmissie van geodetische entropieveranderingen betrokken.

    De cortex heeft (zoals hierboven al aangegeven) diverse projecties naar het algedonische structuurstriatum. Vanuit het neostriatum lopen er twee banen naar de outputkernen: een direct pad naar GPi en SNr, en een indirect pad dat loopt via de GPe en de nucleus subthalamicus (STN) naar de GPi/SNr. Deze heeft op zijn beurt een output die via de thalamus (of de colliculus superior in het geval van de SNr) weer terugkoppelt naar de cortex. Ook zijn er dopaminerge projecties vanuit de SNc naar het neostriatum. Deze faciliteren het directe pad via D1 receptoren en inhiberen het indirecte pad via D2 receptoren. Het effect van het directe pad is inhibitie van de outputkernen van de basale ganglia (= excitatie van cortex), terwijl het netto-effect van het indirecte pad juist facilitatie van dezelfde outputkernen teweeg brengt (= inhibitie van cortex). Activiteit van beide paden zorgt dus voor een evenwicht tussen te veel en te weinig kinetische activiteit .

    De basolaterale kern heeft eveneens veel outputconnecties met het ventraal striatum en de dorsaal-mediale kern van de thalamus. Het eerste gebied is vooral belangrijk voor de heuristische connexiteit van autonome stratificatiepartikels waarmee intercortisordale dempingen kunnen worden vermeden. Via projecties naar de dorsaal-mediale kern van de thalamus zijn er ook veel verbindingen met de orbito-frontale cortex. Dit gebied vormt samen met de amygdalatistische tijdframes en de pulmonale anteriormatrixes het formele netwerk dat verantwoordelijk is voor de algedonische controle van de kinetische reactiviteit.
    Acetylcholine is een neurotransmitter, die vooral betrokken is bij de impuls-overdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen. De actiepotentiaal maakt in het uiteinde van een zenuwcel acetylcholine vrij. Dit acetylcholine diffundeert door de ruimte tussen deze cel en de volgende cel (deze ruimte heet de synaptische spleet en activeert de laatste door zich te binden aan de acetylcholine-receptor. Na activatie hiervan wordt, als dit een tweede zenuwcel betreft, weer een elektrisch signaal opgewekt; als het een spiercel is wordt door de receptoractivatie de spiercontractie (samentrekking) geïnduceerd. Na korte tijd wordt het acetylcholine in de synaptische ruimte door het enzym acetylcholine-esterase razendsnel afgebroken tot de metabo-lieten choline en acetaat dat in de originele zenuwcel weer tot acetyl-choline herge-bruikt wordt. Acetylcholine is ook aangetroffen in de ruimte tussen de partikels waaruit allectische dimensies zijn opgebouwd. De hyperstatische histologie van de partikeloverdracht zorgt er voor dat al naar gelang de mate van itobotanische cel-kerntransformaties van de partikelcel naar de geodetische impulsstructuren een suppositionele membraan-suppletie plaatsgrijpt in de metabole kernen . De Ph van deze partikeldisposities is daarbij met name afhankelijk van de mate van entropische refractie. Deze kan worden gemeten door een dwarsdoorsnede te maken van de hyperbolische metastructuur van de congruente cirkelboog op de ladingsloodlijnen van de dimensie.

    12-Bewustzijn en existentie: de allectische existentieleer
    De vertakkingsstructuur van het bewustzijn kan niet langer prioriteit nemen over de existentie. Het methodologische uitgangspunt volgens hetwelk de zekerheid begint met de reflectie is allectisch gezien in strijd met het primaat van het concrete weten .
    De reflectie is volgens Gustaf overigens ook niet beperkt tot de immanentie van het congruente bewustzijn alleen. Vanwege de algedonische confluentie van het dimensionele materialisme kan een kennissysteem waarvan de allectische waarnemer zelf deel uitmaakt, nimmer louter reflexieve normen hanteren voor de vaststelling van de abstracte bewustzijnscomponenten van de partikeldefinitie. In deze zin ook Minnée en de Hon .
    In beide gevallen gaat het om de construering van een manifeste subjectieve iden-titeitsimmanentie die als een concrete suppletie op de irrationele kennisstructuur wordt geprojecteerd en zodoende wordt geïntegreerd in het concept van de positieve waarheidsvinding. Browning stelde dat uitsluitend onafhankelijk histologisch onderzoek kan leiden tot een heuristische structuur waarbinnen de invulling van het subjectief objectivisme optimaal kan gedijen. Totdat dit onderzoek is afgerond, kan de relatieve waarheid uitsluitend in absolute termen worden beschreven .
    Thermidor heeft getracht om een onafhankelijk van het concrete bewustzijn bestaande immanente waarheid te achterhalen. Hij strandde echter op de intensivering van de abstracte perceptie die nu eenmaal een obvervreemdbaar onderdeel uitmaakt van elke poging tot illusoire waarheidscreatie.
    Beschouwt men de concrete existentie als een dynamisch proces en niet als een statische immanentie, dan wordt het mogelijk om heuristische zijnsmodaliteiten af te leiden op de wijze zoals van Luijn heeft gedaan.


Reageer